Werking van een korenmolen

Een rondleiding doorheen de Buitenmolen, startend van de kap en afdalend naar de stelling.

molen_windhond_doorsnede

De kap

In de kap bevindt zich de bovenas waaraan de wieken bevestigd zijn. Deze as wordt gesmeerd met reuzel (varkensvet).

Om de bovenas zit het bovenwiel, het belangrijkste wiel van de molen dat alles in de molen aandrijft. Het functioneert ook als vangwiel (de vang is de rem van de molen).

Het bovenwiel drijft de koningsspil aan die uitkomt op de steenzolder.

Ook zien we dat de complete kap rust op meer dan 30 kruirollen. Met deze rollen  kan de molenaar de kap met de wieken op de wind kruien (draaien).

We dalen een trapje af en komen dan aan op:

De luizolder

Rond de luias is een dik touw gedraaid dat tot op de begane grond komt zodat we daar de zakken mee kunnen luien (Middeleeuws woord voor hijsen).

Op de luias zien we nog een wiel met een touw: het gaffelwiel met het gaffeltouw. Dat is een rondgaand touw zodat de molenaar ook op handkracht kan luien.

Ook is er nog een tweede wiel aan een as, voor de elevator. Dat is een lange riem met bakjes, ook om graan naar boven te transporteren.

De molenaar kan hier ook de molenstenen inschakelen, afhankelijk van de wind kiest hij om met 1 of 2 stenen te malen.

We dalen een trapje af en komen dan aan op:

De steenzolder

We zien op de steenzolder boven ons hoofd het spoorwiel.

En op de vloer zijn er 2 koppels stenen die draaien in de steenkuip.

De molenaar kapt het graan in de trechter die het kaar heet. Vandaar gaat het in de schuddebak. De steenspil met vierkante hoeken zorgt dat de bak het graan tussen de stenen schudt.

Tussen de stenen wordt het verspreid, gebroken en uitgemalen waarna het meel in een gat verdwijnt. Dat komt een zolder lager uit in de maalbak.

We zien 2 koppels maalstenen op de steenzolder: een koppel blauwe stenen van basaltlava (natuursteen) voor het malen van bakkersmeel en een koppel  kunststenen waar de molenaar naast bakmeel ook veevoeder mee kan malen.

Er zijn ook 2 luiken in de vloer waar de zakken doorheen komen tijdens het luien en  2 houten kokers van de elevator.

We dalen een trapje af en komen dan aan op:

De maalzolder  

Dit is dé werkplek van de molenaar omdat hij hier de fijnheid van het meel controleert. Met zijn ene hand aan de licht en de andere hand aan het meel kan hij voelen of het meel fijn of juist grof gemalen is.

De  licht is het mechanisme om de steen op te lichten bij wegvallende wind of te laten zakken bij toenemende wind, om altijd de juiste fijnheid van meel te hebben.

De molenaar kan hier ook de graantoevoer bijstellen. In het midden tussen de2 maalbakken staat er nog een schoner om graan mee te kuisen als het recht  van het land komt.

We gaan door één van 4 deuren en betreden:

De stelling

De stelling is rondom de molen gebouwd en we zien de wieken aan de ene kant en de staartbalk met de kruilier aan de andere kant. Met de kruilier kan de molenaar de kap draaien om de wieken loodrecht op de wind te plaatsen.

Ook kan hij hier de vang (rem), de pal en de kneppel bedienen. De pal zorgt er voor dat de wieken vanuit stilstand niet achteruit kunnen draaien. De kneppel verdubbelt de remkracht van de vangbalk, als extra veiligheid in geval van storm.

De wieken zijn voorzien van hekwerk, windborden en 4 zeilen. Hoe meer wind, hoe minder zeilen er nodig zijn. De molenaar kan malen tot ongeveer windkracht 9, maar dan zonder zeilen en de wind(storm?)borden eruit.